Ze moete nie kunne mæær'ke dæch'r inne van n'n boer bent, zeej onze vàdder,
mær ge moet 'r wæl frêêt op zæn.

Men moet niet kunnen merken dat je de zoon van een boer bent, zei mijn vader,
maar daar moet je wel trots op zijn.


Verstand hædde zat, zeej teejge mæn,
mær ge gebrööket nie.

Verstand heb je genoeg, zei hij tegen mij,
maar je gebruikt het niet.


Ne mens ging 's na Bos mært. Dæ wás wεεt. De miste mense ginge meej de hôgkaar, mær hij haj gin pærd, dus hij moes hul dæ ænt te voewt.
Hij ging meej de kreuge.
Wurum gade mee de kreuge ? vroege ze, wa wilde toch ammel gán kôôpe ? Och navenant nie zô veul, zeej, mær zôô lôôp 'k steviger.

Een man ging eens naar de markt in Den Bosch. Dat was ver. De meeste mensen gingen met paard en kar. Maar hij had geen paard, dus hij moest heel die afstand te voet gaan. Hij ging met een kruiwagen.
Waarom ga je met een kruiwagen, vroeg men, wat wil je toch allemaal gaan kopen ? Och, eigenlijk niet zo veel, zei hij, maar zo loop ik steviger.

Die man was dus de uitvinder van de rollator.


N'n aauwen boer in Lôôn rôkte 's midd'gs nò 't eten aaltæ 'n sigærke. Mær de sigaare worden iedere kêêr dürder æn dæ kwam mist umdæter iedere keer meer belasting op kwam. Op't lest kôssie ze hàst nie mær betaole.

Ik zal ze hæbbe zeej,
ik rôôk nie mær.

Een oude boer uit Hoogeloon rookte 's middags  na het eten altijd een sigaartje. Maar de sigaren werden telkens duurder. En dat kwam vooral omdat er steeds meer belasting op kwam. Op het laatst kon hij ze bijna niet meer betalen.

Ik zal ze hebben, zei hij,
ik rook niet meer.


Hard werke æn schôn mæskes
dôr staj 'k gεεre na te kεεke

Onze vàdder zeej dæ-tie dæ iem'nd anders hai hörre zegge ...

Hard werken en mooie meisjes
daar sta ik graag naar te kijken.

Mijn vader zei, dat hij dat iemand anders had horen zeggen ...



Onze vàdder zeej op'ne keer teejge mæn : ik werk eigeluk allêên nog mær vur ei. Vur m'n eige æn ons moeder hoeftæ nie mær. æs oew de boerderεεj nou zôn verkôôpe, kôsse wij dôr hændig van lεεve, de raest van ons lεεve.

Mijn vader zei een keer tegen mij: ik werk eigenlijk alleen nog maar voor jullie. Voor mijzelf en voor ons moeder hoeft dat niet meer. Als we de boerderij nu zouden verkopen, zouden we daar prima van kunnen leven, de rest van ons Leven.

Hij zei dat zonder verwijt, zonder spijt, zonder zelfbeklag. Het was een overpeinzing, een levenswijsheid.


N'n boer ging vur d'n urste keer van Blaal na Eindhoven meej d'n tram, dæ moet rond 1900 geweejst zæn. Zunne jongste zoon ging ôk meej; wa was dá mænneke bang! Zôwiet haj noch nôjt gezien: 'ne waoge die kôs rεεje zonder pærd 'rvur. Hij dörfd'n 'r hast nie in.
Mær de vàdder zeej: Allee jonge, nie bang vur d'n tram æssie stil sti!

Een boer ging voor de eerste keer van Bladel naar Eindhoven met de tram Wiki. Dat moet rond 1900 geweest zijn. Zijn jongste zoon ging ook mee; was was dat mannetje bang! Zoiets had hij nog nooit gezien: een wagen die kon rijden zonder paard ervoor. Hij durfde haast niet in te stappen.
Maar de vader zei: Allez jongen, niet bang voor de tram als hij stil staat!


Voor de uitspraak zie Het kempenlands dialect van Casteren


"Niets is zo sterk als de klap van de hamer."
Dat zei hij in het Nederlands, want dat spreekwoord had hij op een cursus geleerd.
Maar hij had het ook zelf ervaren.
En ik intussen ook.


Toen ik wat jam naast mijn mond terecht was gekomen en dat er niet had afgeveegd, zei mijn vader:
Neem je dat mee voor de juffrouw?

Ik weet het nog, dat was blijkbaar iets wat indruk maakte. Ik herinner me, dat ik me wat ongemakkelijk voelde, toen hij dat zei, dus ik zal wel een beetje verliefd geweest zijn op juffrouw Gonnie.


Op de boerderij in Vessem hadden we zo'n dertig zeugen. Het heette niet een fokbedrijf, daar gaat het om het produceren van goed sperma. Het was een vermeerderingsbedrijf, het ging erom zoveel mogelijk gezonde biggen te krijgen. Als ze zo'n 25 kilo waren gingen ze de mesterij, meestal onze buurman Janus van de Pas.
We hadden zo'n dertig zeugen en die moesten gedekt worden als ze tochtig waren. Onze vàdder zeej dan: Dees zôg is briestig, ze sti. Deze zeug staat. Dat wilde zeggen: als onze vàdder achter op de rug van de zeug duwde met heel zijn gewicht en ze bleef staan, dan was ze tochtig, dan zou ze ook blijven staan als de beer op haar sprong. Wat is de natuur toch inventief: dat een zeug het prettig vindt dat die grote beer op haar springt, net op het moment dat ze vruchtbaar is.

Goed. Ik stond erbij te kijken toen de beer bezig was een zeug te dekken, maar de gekrulde kurkentrekkerpenis van de beer kon niet meteen zijn weg vinden, dus hielp onze vãdder een beetje met zijn handen. Daarna stonken zijn handen.
Dæ dæ aaltæ zô moet stinke, zei hij tegen mij. Dat dat altijd zo moet stinken. Hij keek mij aan en het was duidelijk dat hij bedoelde dat dat bij mensen ook zo was. Tsjaa, dat we ons in die tijd maar een keer per week douchten zal ook wel meegespeeld hebben.


Onze varkens waren overigens niet zwart maar roze. De biggetjes dan.


     Reageren