Sonnet

Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten,
En zit in 't binnenst van mijn ziel ten troon
Over mij zelf en 't al, naar rijksgeboôn
Van eigen strijd en zege, uit eigen krachten.

En als een heir van donkerwilde machten
Joelt aan mij op en valt terug, gevloôn
Voor 't heffen van mijn hand en heldere kroon:
Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten.

-- En tóch, zo eindloos smacht ik soms om rond
Úw overdierb're leên den arm te slaan,
En, luid uitsnikkende, met al mijn gloed

En trots en kalme glorie te vergaan
Op úwe lippen in een wilden vloed
Van kussen, waar 'k niet langer woorden vond.

Willem Kloos (1859 - 1938)

Uit: Verzen, Amsterdam 1894

"Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten"
dat vond ik meteen al op de middelbare school een geweldige zin. Ik herkende mij daarin. Binnen in mij, binnen in elk mens is god. En nergens anders.

Pas veel later las ik het hele gedicht met aandacht.
"En zit in 't binnenst van mijn ziel ten troon"

Nou, zo'n god ben ik in mezelf nooit gewaar geworden. Nee, ik heb me vergist, Willem heeft een ander soort god in zichzelf gezien als ik.

En dan de chute, waarlijk een ommekeer.
Het is gewoon een verliefdheidsgedichtje.