Twee boeddhistiese monniken, een jongere en een oudere zijn op weg. Ze komen bij een rivier, nauwelijks doorwaadbaar. Er staat een mooi jong meisje die de overtocht niet aandurft.
De oudere monnik neemt haar op zijn rug en draagt haar naar de overkant. Daarna lopen de monniken verder naar hun klooster.
Daar aangekomen zegt de jongere : "Maar broeder, u kunt zó toch niet naar binnen gaan !? Contact met vrouwen maakt ons onrein. U moet toch eerst mediteren en uw geest zuiveren ?"
"Wat ? zegt de oudere,  loop jij nog steeds met dat meisje rond ? Ik heb haar aan de oever van de rivier gelaten."