Een pijn, hoewel reeds krom en oud,
was met een kind van acht getrouwd.
 
Zij konden elkander goed verstaan:
hij kneep haar, zij liet hem begaan.
 
En als men haar dan vroeg waarom
sprak zij: ‘hij is een beetje dom,
 
maar kikkers kwaken; God begrijpt;
ouders kussen; en hij knijpt.’
 
Ach, zij maakten door elkaar
een droef doch eerbiedwaardig paar.

Kermde zij daarvan een poos,
dan kreeg zij koekjes en kadoos.
 
Moest zij in haar kussen bijten,
dan moest dat Pijn een beetje spijten.
 
Men prees haar zo om hoe ze leed
dat zij de rest maar niet meer deed.
 
Haar rekenwerk, haar tekenboek
vergeelden reeds en raakten zoek.
 
Langzaam werd zij dun en stil.
Haar stem verdween, haar vet, haar wil.
 
Pijn verliet haar hele dagen
en vergat naar haar te vragen.
 
Eens kwam hij thuis, diep in de nacht,
en zag dat zij niet had gewacht:
 
afdrukken van haar eigen tanden
stonden in haar flank, haar handen,
 
doch de mond op haar gezicht
lachte met de lippen dicht.
 
Slechts haar inhoud leefde zacht
en hopeloos nog een uur of acht.
 
Moraal:
 
wie pijn beschouwt als dure plicht
mag lachen met een dood gezicht.


 
     Reageren