Na de Cito-toets (die heette toen natuurlijk nog niet zo) zei mijn moeder tegen mij, dat de school-adviseur gezegd had, dat ik te weinig doorzettingsvermogen had; dat waren haar woorden.
Indertijd was ik haar dankbaar dat ze me dat zo openhartig en in vertrouwen doorvertelde.
Maar zonder iets te zeggen dacht ik wél:
"Volgens mij zegt die man dat, omdat ik niet lang bleef nadenken als ik een opgave niet meteen snapte, en vrij snel doorging met de volgende opgave."
Maar dat was wat meester van Gool me had aangeraden:
"Blijf tijdens een proefwerk niet eindeloos piekeren over een opgave waar je niet uit komt,
verspil daar niet al te veel tijd aan, maar ga door met de volgende, die snap je misschien wél."

Toch denk ik wel dat hij gelijk had, dat ik te weinig doorzettingsvermogen had.
En aan mijn CV kun je dat ook zien.
Ik realiseer me nu ook, dat de weinig stimulerende houding van moeder tegenover ons, daar een van de oorzaken voor is geweest.

Toen Maarten, toen toekomstige zwager, eens met Walther samen onder een auto lag te sleutelen aan een versnellingsbak of een uitlaat, bleef ze in het voorbijgaan even staan kijken en zei toen:
"Dat kunnen jullie toch niet."
Maarten zei later:
"Ik wist niet wat ik hoorde, Mijn ouders zeggen altijd:
'Probeer maar! Misschien lukt het wel om die oude auto nog op te lappen, en dan kun je daarna die van ons misschien ook wel repareren.' "

Als ik mijn wilskracht wil trainen, moet ik me misschien om te beginnen maar eens bevrijden van die denigrerende kijk op mij.