Een boerenzoon had van zijn vader als erfenis alleen een stuk hei gekregen.
Dat was alles wat er voor hem overbleef, de jongste van de vijf zonen. Maar het was een flinke jongen en hij begon meteen de hei plat te branden en om te ploegen.
De pastoor kwam langs gewandeld met zijn brevier. Hij keek naar de werkende jongeman en zei: "Wel, met de hulp van Onze Lieven Heer, kan dit misschien toch nog wel iets worden."
De boerenzoon ploegde verder en in het voorjaar zaaide hij het graan in.
Terwijl hij daar mee bezig was, kwam de pastoor weer langs prevelen. "Jongen, bid maar om de hulp van Onze Lieven Heer voor een goede oogst."
Het graan groeide, het werd een goede oogst en met de opbrengst kocht de boerenzoon bouwmateriaal. En hij begon een huisje te bouwen.
De pastoor kwam weer voorbij met zijn gebedenboek en zei: "Ja, ik zie het al, met de hulp van Onze Lieven Heer zal het een mooi huis worden."
Toen het huis af was, trouwde de boerenzoon en zijn vrouw baarde een pracht van een dochter.
En weer zei de pastoor: "Wat hebben jullie toch een mooi kindje gekregen, met de hulp van Onze Lieven Heer."
De boerenzoon was het vrome gekwezel kotsbeu en zei:
"Jawel, meneer pastoor, maar toen Onze Lieven Heer het hier helemaal alleen moest doen, zonder mijn hulp, toen zag het er toch heel anders uit!"